peurder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • peur·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord peurder peurders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

peurder m

  1. (beroep) iemand die op paling vist met een peur: een tros wormen die in het water wordt bewogen als lokkertje
    • Tegenwoordig is het peuren nog slechts een liefhebberij van een betrekkelijk klein aantal beoefenaren. In maanloze nachten bewegen zij een tros op sajetdraad geregen wormen (zonder vishaken) waarboven een peurlood boven de grond op en neer. Plotseling is daar dan soms de aanbeet van de paling, die ze als een elektrische schok ervaren. Het is dan zaak rustig de peur op te halen en de paling boven een peurnet of tobbe af te schudden. (…) De peurder is en was altijd al de erfvijand van het handjevol beroepsvissers, dat ons land nog rijk is en een tot uitsterven gedoemde stiel lijkt te zijn. [2]

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.

Verwijzingen