peupler
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| peupler |
peuplais |
peuplé |
| eerste groep | volledig | |
peupler
- overgankelijk bevolken [1]; een populatie, bevolking vestigen in
- overgankelijk bewonen; leven in; wonen in; bevolken [2]
- ↑ peupler (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.