pesterij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pes·te·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pesterij pesterijen
verkleinwoord pesterijtje pesterijtjes

Zelfstandig naamwoord

pesterij v [1]

  1. gedrag waarbij iemand herhaald en gedurende langere tijd door anderen bejegend wordt op manieren die leiden tot fysieke verwonding en/of psychisch lijden
    • Voor haar dankwoord positioneerde de 58-jarige Madonna zich ‘stevig’ achter de microfoon. Benen wijd, de microfoonstandaard er uitdagend tussen. Het grapje dat volgde was geen verrassing, maar vervolgens stak ze van wal, directer dan ooit, en bloedernstig. ,,Ik sta hier als een vloermat. O, ik bedoel een vrouwelijke entertainer. Dank u voor de erkenning om mijn 34-jarige carrière door te zetten in het licht van schaamteloos seksisme, misogynie, pesterij en ongenadig misbruik.” [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Amanda Kuyper 19 december 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be