pep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pep
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pep m

  1. (farmacologie) amfetamine
  2. energie, veerkracht, fut
    • Hij had geen pep meer om uit zijn bed te komen toen hij zag wat voor een slecht weer het was. 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie