Naar inhoud springen

peddelen

Uit WikiWoordenboek
  • ped·de·len
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘fietsen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
peddelen
peddelde
gepeddeld
zwak -d volledig

peddelen

  1. ergatief zich door middel van een peddel afduwend over het water ergens heen bewegen
    • Hij was in New Hampshire een stuk over een meer gepeddeld en kwam daar een paar ijsduikers tegen. 
  2. inergatief zich door middel van een peddel afduwen tegen het water
    • Er werd verwoed gepeddeld, maar de andere ploeg won toch de wedstrijd. 
  3. (informeel) rustig fietsen
     In Utrecht, dé fietsstad van Nederland, peddelen vrijwel alle fietsers nog rustig zonder helm door de straten. Ook ouderen, kinderen en hun ouders. Willem (63) is onderweg met een ov-fiets en denkt er "wel eens over na", maar gebruikt tot nu toe alleen een helm met mountainbiken.[2]
99 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[3]