patissier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·tis·sier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord patissier patissiers
verkleinwoord patissiertje patissiertjes

Zelfstandig naamwoord

patissier m

  1. (Zuid-Nederlands) (beroep) een banketbakker
    • Jan is de beste patissier van de stad; zijn mattentaartjes zijn om duimen en vingers bij af te likken. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie