pathisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·thisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen pathisch pathischer
verbogen pathische pathischere
partitief pathisch pathischers -

Bijvoeglijk naamwoord

pathisch

  1. ziekelijk

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.