pateen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
1. schotel voor de hostie
(Margraten RCE 20307611)

Nederlands

Woordafbreking
  • pa·teen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pateen patenen
verkleinwoord pateentje pateentjes

Zelfstandig naamwoord

pateen v

  1. (religie) (katholiek) (anglicaans) schotel voor de hostie, waarop deze tijdens de Heilige Mis wordt neergelegd en waarboven deze later wordt gebroken
Vertalingen
Gangbaarheid
22 % van de Nederlanders
27 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. etymologiebank.nl


Deens

Woordafbreking
  • pa·te·en
Naar frequentie zeldzaam

Zelfstandig naamwoord

pateen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van pate
Schrijfwijzen


Noors

Woordafbreking
  • pa·te·en
Naar frequentie 67277

Zelfstandig naamwoord

pateen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van paté
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • pa·te·en

Zelfstandig naamwoord

pateen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van paté
Schrijfwijzen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
patear

pateen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van patear
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van patear