pastor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: pastoor

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pastor pastores
verkleinwoord pastortje pastortjes

Zelfstandig naamwoord

pastor m

  1. zielenherder, zielzorger, pastoor (bij rooms-katholieken), dominee (bij protestanten)

Meer informatie


Indonesisch

Woordafbreking
  • pas·tor
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pastor

  1. (religie) pastoor, priester
Schrijfwijzen


Latijn

Zelfstandig naamwoord

pāstor m

  1. herder
Verbuiging



Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·tor
enkelvoud meervoud
pastor pastores

Zelfstandig naamwoord

pastor m

  1. herder
  2. (religie) dominee, predikant
Verwante begrippen
Verwijzingen