password

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pass·word
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord password passwords
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

password o

  1. (informatica) geheime persoonlijke code die een gebruiker toegang verschaft tot een informatiesysteem
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be