passivum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·si·vum
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord passivum passiva
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

passivum o

  1. (taalkunde) de lijdende vorm van een werkwoord
  2. het inactief iets ondergaan en aanvaarden
     Daarom is het volgens de auteurs een actuele vraag waar geloven houvast vindt. „Is er alleen het passivum van het door Christus gegrepen zijn, of is er ook een activum, een zichzelf kunnen vastgrijpen in de door God gegeven werkelijkheid?”[2]

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. passivum op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron “„Zoek geen ankerplaatsen in de kerk”” (23-05-2015), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be