Naar inhoud springen

passeur

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  passeur     le passeur     passeurs     les passeurs  

passeur m

  1. (beroep) veerman
    «Il avait eu un instant l’idée de passer le bac ; mais en arrivant au bord de l’eau, il avait machinalement introduit sa main dans sa poche et s’était aperçu qu’il n’avait pas de quoi payer le passeur. .»[1]
    Hij had een ogenblik het idee om de veerboot te nemen; maar toen hij bij de waterkant aankwam, had hij machinaal zijn hand in zijn zak gestopt en had hij opgemerkt dat hij niets had om de veerman te betalen.
  1. Bronlink Weblink bron “Les Trois Mousquetaires”, digitale editie gemaakt op de Franse Wikisource van MM. Dufour et Mulat, 1849 (1844), p. 99