passagier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·sa·gier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord passagier passagiers
verkleinwoord passagiertje passagiertjes

Zelfstandig naamwoord

passagier m

  1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl