passagier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·sa·gier
enkelvoud meervoud
naamwoord passagier passagiers
verkleinwoord passagiertje passagiertjes

Zelfstandig naamwoord

passagier m

  1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
Afgeleide begrippen
Vertalingen