passagier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·sa·gier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord passagier passagiers
verkleinwoord passagiertje passagiertjes

Zelfstandig naamwoord

passagier m

  1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
passagieren

passagier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passagieren
    • Ik passagier. 
  2. gebiedende wijs van passagieren
    • Passagier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passagieren
    • Passagier je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen