pas op

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas op
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
oppassen

pas op

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oppassen
    • Ik pas op. 
  2. gebiedende wijs van oppassen
    • Pas op! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oppassen
    • Pas je op? 


Gangbaarheid