Naar inhoud springen

particulier

Uit WikiWoordenboek
  • par·ti·cu·lier
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen particulierparticulierderparticulierst
verbogen particuliereparticulierdereparticulierste
partitief particuliersparticulierders-
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘privaat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1454 [1]

particulier

  1. (politiek), (maatschappij) niet van de overheid of onder rechtstreeks toezicht daarvan vallend
    • Een particuliere school is vaak duurder dan een door de overheid gesubsidieerde school. 
     Ze zag overal sossen en was van mening dat het hele idee van televisie was om propaganda te maken voor de sossen, daarom moesten we een reclamevrije staatstelevisie hebben, hoewel alle verstandige mensen beseften dat commerciële televisie in particulier bezit veel beter zou zijn geweest.[2]
  2. (economie) niet van een groter bedrijf; van één persoon
     Bijverdienen met een verkoopautomaat bij kapper of sportschool is in trek: Er zijn nu meer dan 300 particulieren die zich hebben gericht op hun onderneming in de verkoopautomaten. Maar is het een slimme investering?[3]
  3. heel persoonlijk [2]
    • Dat is jouw particuliere mening. 
  4. niet algemeen geldend
     Ik kan niet alles letterlijk reproduceren en ik moet toegeven dat ik ook niet alles verstond, omdat ik niet was voorbereid op deze uitbarsting van Franse poëzie, maar ik verstond genoeg om te begrijpen dat het ging om een feministische visie op drie verlaten vrouwen uit de mythologie, Nausica, Medea en Dido, die volgens mij werden samengesmolten tot één modern personage in de gedaante van een zwerfster in de metro van Parijs, maar voor het laatste deel van deze interpretatie moet ik gezien de particuliere metaforiek een slag om de arm houden.[4]
enkelvoud meervoud
naamwoord particulier particulieren
verkleinwoord particuliertje particuliertjes

departiculierm

  1. een persoon zonder bedrijfsfunctie
    • De verzekering wordt aangeboden aan particulieren, maar ook aan bedrijven. 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. "particulier" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044632767
  3. Bronlink geraadpleegd op 5 april 2025 Weblink bron
    Pomme Rademaker
    “Bijverdienen met een verkoopautomaat bij kapper of sportschool is in trek” (5 april 2025), NOS
  4. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 31
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   particulier particuliers
  vrouwelijk   particulière particulières

particulier

  1. bijzonder
  2. (politiek) (maatschappij)  particulier bn  [1]
  3.  particulier bn  [4]; niet algemeen geldend
  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   particulier     le particulier     particuliers     les particuliers  
vrouwelijk   particulière     la particulière     particulières     les particulières  

particulier m

  1.  particulier zn 
  2. het specifieke, het particuliere, het niet algemeen geldende (in tegenstelling tot het algemene)