particulier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·ti·cu·lier
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen particulier particulierder particulierst
verbogen particuliere particulierdere particulierste
partitief particuliers particulierders -
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘privaat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1454 [1]

Bijvoeglijk naamwoord

particulier

  1. niet van de overheid
    • Een particuliere school is vaak duurder dan een door de overheid gesubsidieerde school. 
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord particulier particulieren
verkleinwoord particuliertje particuliertjes

Zelfstandig naamwoord

particulier m

  1. een persoon zonder bedrijfsfunctie
    • De verzekering wordt aangeboden aan particulieren, maar ook aan bedrijven. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   particulier particuliers
  vrouwelijk   particulière particulières

Bijvoeglijk naamwoord

particulier

  1. bijzonder
  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   particulier     le particulier     particuliers     les particuliers  
vrouwelijk   particulière     la particulière     particulières     les particulières  

Zelfstandig naamwoord

particulier

  1. particulier