parochiaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

parochiaal centrum
Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ro·chi·aal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘tot een parochie behorend’ voor het eerst aangetroffen in 1551 [1]
  • afgeleid van parochie met het achtervoegsel -aal [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen parochiaal parochialer parochiaalst
verbogen parochiale parochialere parochiaalste
partitief parochiaals parochialers -

Bijvoeglijk naamwoord

parochiaal [3]

  1. (religie) betrekking hebbend op een parochie en de mensen die deel uitmaken van een parochie
    • De opnamen van de mis bereikten bisschop Punt van het bisdom Haarlem-Amsterdam twee dagen later. Nog diezelfde dag ontbood hij de Oranjepriester bij zich. De pastoor werd voor twee maanden geschorst, een tuchtmaatregel die in de parochie tot grote commotie leidde. De media kwamen massaal op Obdam af en tekenden verontwaardigde reacties op. „Vlaar moet blijven. Punt”, zei de vicevoorzitter van het parochiaal bestuur. [4] 
  2. betrekking hebbend op een wijk of gemeente
    • B. liep een reeks veroordelingen op. Zo pleegde hij in 2015 een overval op een parochiaal centrum in Oostende. Na die feiten vluchtte hij weg op een gestolen mountainbike. Over de fietsdiefstallen had Michel B. een opvallende uitleg klaar. Hij beweerde dat hij de fietsen ‘gevonden’ had. ‘Er is een verschil tussen stelen en een fiets meenemen die open staat’, zei hij. [5] 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen