parlevinken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·le·vin·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

parlevinken [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
parlevinken
parlevinkte
geparlevinkt
zwak -t volledig
  1. al trekkend kleinhandel drijven, met name met een bootje op het water
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

parlevinken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord parlevink

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.

Verwijzingen