parfumer
Uiterlijk
- geattesteerd in de 14de eeuw als "uitroken, (een ziekte) met rook behandelen", en in de 16de eeuw met de huidige betekenis "parfumeren" [1]
- kan gezien worden als een afleiding van fumer "roken" met het voorvoegsel par-
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| parfumer |
parfumais |
parfumé |
| eerste groep | volledig | |
parfumer
- overgankelijk iets met een parfum een geur geven; parfumeren
- ↑ parfumer (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.