parelketting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Jean Kennedy met een parelketting.
Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·rel·ket·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord parelketting parelkettingen
verkleinwoord parelkettinkje parelkettinkjes

Zelfstandig naamwoord

parelketting v/m [1]

  1. een sierraad in de vorm van een ketting met parels vooral gedragen door deftige dames
    • Neerslachtig zit ik dus weer in de tram terug. Een paar haltes verder stappen twee duidelijk dakloze junks in: eentje heeft een graatmager lichaam en draagt gescheurde kleren. Zijn maat leeft ook in de marges van de samenleving, maar ziet er fysiek iets gezonder uit. Beide heren hebben niet ingecheckt. Ze schelden de Surinaams-Nederlandse GVB-medewerkster in het tramhokje uit voor ‘kankeraap’ als ze hen aanspreekt. Een passagier - een prachtige, oudere vrouw met een mooie parelketting en een deftig uiterlijk - spreekt ze ook aan: „Julie moeten betalen, net als de rest.” De junks ontploffen. „Kankerracist! Wie ben jij, hoer!” etc. [2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Zihni Özdil 3 november 2016