paragoge

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ra·go·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paragoge -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

paragoge

  1. (taalkunde) aanhechting van een of meer klanken achter een woord zonder invloed op de betekenis
    • Ook "dagt" (dag) met paragoge t is in het zeventiende-eeuws niet ondenkbaar. [4]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen