paraatheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·raat·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paraatheid paraatheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

paraatheid v

  1. het klaar zijn om te kunnen handelen
    • De mariniers zijn beroemd om hun paraatheid in moeilijke tijden. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.