panache

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. vederbos op een hoofddeksel
Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·na·che
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord panache panaches
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

panache v/m

  1. vederbos, voor op een helm of ander hoofddeksel, ook als sieraad
  2. (figuurlijk) bravoure, zwier

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

panache m

  1. vederbos, voor op een helm of ander hoofddeksel, ook als sieraad
  2. (figuurlijk) met bravoure, met zwier
  3. (spreektaal) sneeuwwitje, shandy (limonade met bier) [1]
Synoniemen

Verwijzingen