palper
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| palper |
palpais |
palpé |
| eerste groep | volledig | |
palper
- overgankelijk zachtjes tasten, aanraken met de hand of vingers
- (spreektaal) beuren, opstrijken
- «J'aime palper du blé sans rien glander.»
- Ik vind het fijn geld te beuren zonder iets uit te voeren
- «En bossant la nuit à Rungis, tu palpes à max.»
- Als je 's nachts in Rungis werkt, verdien je een hoop geld. [1]
- «J'aime palper du blé sans rien glander.»