pakje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pak·je
Woordherkomst en -opbouw
  • Verkleinvorm van pak.
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord pakje pakjes

Zelfstandig naamwoord

pakje o dim. tant.

  1. cadeautje, geschenkje
    • Bij een pakje hoort een gedichtje op Sinterklaasavond. 
  2. verkleinwoord van pak
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

pakje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord pak
     Barbie werd uitgelachen dat hij al drie weken lang alleen maar ‘ramen bomb’ at (een pakje noedels met een pakje aardappelpuree en een blik tonijn door elkaar).[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be