Naar inhoud springen

pakje

Uit WikiWoordenboek
  • pak·je
  • afgeleid van  pak zn  met het achtervoegsel -je
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord pakje pakjes

hetpakjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord pak
     Ze reikt achter de toonbank en pakt een klein, gekreukt pakje.[1]
     Het pakje verdwijnt vlug van Hanna's vingers in de zak van Cornelia's rok.[1]
     Barbie werd uitgelachen dat hij al drie weken lang alleen maar ‘ramen bomb’ at (een pakje noedels met een pakje aardappelpuree en een blik tonijn door elkaar).[2]
  2. alleen verkleinwoord klein geschenk in een tijdelijk omhulsel van papier of vergelijkbaar materiaal, ter verfraaiing en bescherming
    • Bij een pakje hoort een gedichtje op Sinterklaasavond. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be