Naar inhoud springen

paf

Uit WikiWoordenboek
  • paf

paf!

  1. geluid van een korte knal, bijvoorbeeld van een pistool
    • En, paf! Er klonk een schot en hij lag gewond op de grond. 
  2. kort, dof geluid bij een botsing of val
enkelvoud meervoud
naamwoord paf paffen
verkleinwoord pafje pafjes

depafm

  1. geluid van een afgeschoten vuurwapen
  2. het roken, met name van tabak
    • De jeugd in dat land is nog aardig aan de paf. 
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen pafpafferpafst
verbogen paffepafferepafste
partitief pafspaffers-

paf

  1. bevangen door grote verbazing
  2. met een vol gevoel of opgezwollen, zoals na veel eten
  3. loom makend
    • Ik loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw.[9] 
  • [1] paf staan
    verbaasd of verbijsterd zijn
vervoeging van
paffen

paf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    • Ik paf. 
  2. gebiedende wijs van paffen
    • Paf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    • Paf je? 
93 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[10]
  enkelvoud meervoud
  mannelijk  /
  vrouwelijk  
paf paf

paf

  1. (spreektaal) bezopen, lazarus
    «Vers la fin de la soirée, tout le monde était paf
    Tegen het eind van het feest was iedereen lazarus. [1]

paf!

  1.  paf tw !