paf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paf
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

paf! [2]

  1. een knal nabootsend, bijvoorbeeld van een pistool
    • En, paf! Er klonk een schot en hij lag gewond op de grond. 
enkelvoud meervoud
naamwoord paf paffen
verkleinwoord pafje pafjes

Zelfstandig naamwoord

paf m

  1. het roken, met name van tabak
    • De jeugd in dat land is nog aardig aan de paf. 
  2. het geluid van een afgeschoten vuurwapen [3]
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen paf paffer pafst
verbogen paffe paffere pafste
partitief pafs paffers -

Bijvoeglijk naamwoord

paf

  1. verbaasd staand [5]
  2. opgeblazen [6]
    • Ik loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw.[7] 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Paf staan
verbaasd of verbijsterd zijn

Werkwoord

vervoeging van
paffen

paf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    • Ik paf. 
  2. gebiedende wijs van paffen
    • Paf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    • Paf je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen