paf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paf
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

paf! [3]

  1. het geluid van een korte knal, bijvoorbeeld van een pistool
    • En, paf! Er klonk een schot en hij lag gewond op de grond. 
enkelvoud meervoud
naamwoord paf paffen
verkleinwoord pafje pafjes

Zelfstandig naamwoord

paf m

  1. het roken, met name van tabak
    • De jeugd in dat land is nog aardig aan de paf. 
  2. het geluid van een afgeschoten vuurwapen [4]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen paf paffer pafst
verbogen paffe paffere pafste
partitief pafs paffers -

Bijvoeglijk naamwoord

paf

  1. verbaasd staand [5]
  2. opgeblazen [6]
    • Ik loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw.[7] 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Paf staan
verbaasd of verbijsterd zijn

Werkwoord

vervoeging van
paffen

paf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    • Ik paf. 
  2. gebiedende wijs van paffen
    • Paf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    • Paf je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

paf

  1. (spreektaal) bezopen, lazarus
    «Vers la fin de la soirée, tout le monde était paf
    Tegen het eind van het feest was iedereen lazarus. [1]

Verwijzingen