paf
Uiterlijk
- paf
- tw: klanknabootsing, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ aangetroffen vanaf 1717 [1] [2] [3] [4]
- zn: op te vatten als naamwoord van handeling bij paffen ww [5] [3]
- bn [1]: mogelijk van Duits baff bn , "verbluft alsof je net onverwacht een schot hoorde" [6] [3] [7]
- bn [2], [3]: omdat iets wat overvol is alleen nog wat dof geluid kan maken of haast met een knal uiteen lijkt te spatten [8] [7]
- ww paffen ww zonder de uitgang -en
paf!
- geluid van een korte knal, bijvoorbeeld van een pistool
- En, paf! Er klonk een schot en hij lag gewond op de grond.
- kort, dof geluid bij een botsing of val
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | paf | paffen |
| verkleinwoord | pafje | pafjes |
de paf m
- geluid van een afgeschoten vuurwapen
- het roken, met name van tabak
- De jeugd in dat land is nog aardig aan de paf.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | paf | paffer | pafst |
| verbogen | paffe | paffere | pafste |
| partitief | pafs | paffers | - |
paf
- bevangen door grote verbazing
- met een vol gevoel of opgezwollen, zoals na veel eten
- loom makend
- Ik loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw.[9]
- [1] verbluft
- [2] opgeblazen
- [1] paf staanverbaasd of verbijsterd zijn
| vervoeging van |
|---|
| paffen |
paf
- Het woord paf staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "paf" herkend door:
| 93 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[10] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- 1 2 3 paf op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "paf" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- 1 2 paf op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Bavo Claes. 'Kraai'
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| mannelijk / vrouwelijk |
paf | paf |
paf
- (spreektaal) bezopen, lazarus
- «Vers la fin de la soirée, tout le monde était paf.»
- Tegen het eind van het feest was iedereen lazarus. [1]
- «Vers la fin de la soirée, tout le monde était paf.»
paf!
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Klanknabootsing in het Nederlands
- Tussenwerpsel in het Nederlands
- Trefwoorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 93 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 3
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Frans
- Spreektaal in het Frans
- Tussenwerpsel in het Frans