paddel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[1] satelliet met zonnecellen op paddel
Uitspraak
Woordafbreking
  • pad·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paddel paddels
verkleinwoord paddeltje paddeltjes

Zelfstandig naamwoord

paddel m [2]

  1. stok met een platte verbreding op het einde
     Schakelen geschiedt via paddels achter het stuurwiel.[3]
  2. stok met een platte verbreding op het einde voor het voortbewegen van een vaartuig
     Op de tweede wedstrijddag van het EK kajak marathon in het Portugese Porte de Lima, was het de beurt aan de junioren en de beloften om hun race af te werken. Die was 19 km lang met daarin vier portages, waarbij de boot en paddel al lopend gedragen moest worden.[4]
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
paddelen

paddel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paddelen
    • Ik paddel. 
  2. gebiedende wijs van paddelen
    • Paddel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paddelen
    • Paddel je? 

Gangbaarheid

37 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. paddel op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “Gumpert Tornante laat zich zien” (16 mei 2014), De Telegraaf
  4. Bronlink Weblink bron “Jonge Belgen spelen geen rol van betekenis op EK kajak marathon” (29/06/2017), De Standaard
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be