paasweekeinde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paas·week·ein·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paasweekeinde paasweekeindes
paasweekeinden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

paasweekeinde o

  1. periode van paaszaterdag tot en met tweede paasdag
    • Tijdens het zonnige paasweekeinde zijn elf motorrijders op de Duitse wegen om het leven gekomen. Talloze anderen raakten gewond, zei de politie. [1] 
    • Go Ahead Eagles is er niet in geslaagd het zo mooi begonnen paasweekeinde af te sluiten met een zege in Oss. Nadat Deventer vrijdag nog het ticket voor de play-offs werd veiliggesteld, ging de Deventer ploeg met 1-0 onderuit tegen TOP Oss. En dat mocht vooral Thomas Verheydt zich aantrekken. [2] 
Synoniemen


Gangbaarheid


Verwijzingen