owngoal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • own·goal
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord owngoal owngoals
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

owngoal m

  1. (voetbal) actie waarbij de bal in het eigen doel wordt geschoten, zodat de tegenstander een doelpunt krijgt
    • De aanvoerder van de Tukkers baalde na afloop van zijn owngoal. "We verdedigden in de slotfase met alles wat we hadden en dan is het zonde dat ik nog een eigen doelpunt maak. We hebben met bravoure gespeeld, maar daar hebben we nu niks aan", besloot Thesker. [1] 
    • De winst van Charleroi tegen STVV, waardoor uitzicht op een finale thuis tegen de Zebra’s was al een opsteker en ook Waasland-Beveren, met 6 op 6 naar Kortrijk afgezakt, kon maar even KVK doen twijfelen. Dat was toen de Waaslanders uit het niets plots tegenscoorden na de openingstreffer van Avenatti. Een owngoal nog wel van Kristof D’Haene die een schot van Ampomah dat tegen de paal kletste zelf in doel devieerde. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

14 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen