overtuiging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·tui·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overtuiging overtuigingen
verkleinwoord overtuiginkje overtuiginkjes

Zelfstandig naamwoord

overtuiging v

  1. een sterke mening of geloof
    • Ik ben van overtuiging dat ik gelijk heb. 
  2. met overtuiging: krachtig, zelfverzekerd
     Met overtuiging bestelden we twee spritz, in de wetenschap dat die achttien euro per stuk kostten en dat we er daarna nog zeker twee zouden bestellen.[1]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 26