overtrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overtrekken
overtrok
overtrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

overtrékken

  1. overgankelijk een nieuwe stoffen bekleding aanbrengen
    • Die meubels kunnen best nog een keer overtrokken worden. 
  2. overgankelijk overdreven voorstellen
    • Volgens de minister was het probleem door de pers zwaar overtrokken. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overtrekken
trok over
overgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

óvertrekken

  1. ergatief trekkend een gebied, dam of brug enz. passeren
    • De Carthagers waren de Alpen overgetrokken en vielen Rome aan. 
  2. overgankelijk de contouren natekenen
    • De tekening overtrekken met een potlood. 
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

overtrekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord overtrek

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie