overtrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·trek·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overtrekken
overtrok
overtrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

overtrékken

  1. (overgankelijk) een nieuwe stoffen bekleding aanbrengen
    Die meubels kunnen best nog een keer overtrokken worden.
  2. (overgankelijk) overdreven voorstellen
    Volgens de minister was het probleem door de pers zwaar overtrokken.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overtrekken
trok over
overgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

óvertrekken

  1. (ergatief) trekkend een gebied, dam of brug enz. passeren
    De Carthagers waren de Alpen overgetrokken en vielen Rome aan.
  2. (overgankelijk) de contouren natekenen
    De tekening overtrekken met een potlood.
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

overtrekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord overtrek