overtrekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overtrekken
overtrok
overtrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

overtrékken

  1. overgankelijk een nieuwe stoffen bekleding aanbrengen
    • Die meubels kunnen best nog een keer overtrokken worden. 
  2. overgankelijk overdreven voorstellen
    • Volgens de minister was het probleem door de pers zwaar overtrokken. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overtrekken
trok over
overgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

óvertrekken

  1. ergatief trekkend een gebied, dam of brug enz. passeren
    • De Carthagers waren de Alpen overgetrokken en vielen Rome aan. 
    • Het liefst was hij toen de Bergen van Stilte maar ineens overgetrokken, maar dat was niet mogelijk. [1] 
  2. overgankelijk de contouren natekenen
    • De tekening overtrekken met een potlood. 
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

overtrekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord overtrek

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 114
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be