overtreffende

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·tref·fen·de

Bijvoeglijk naamwoord

overtreffende

  1. verbogen vorm van de stellende trap van overtreffend

Werkwoord

vervoeging van
overtreffen

overtreffende

  1. verbogen vorm van het onvoltooid deelwoord van overtreffen