overtal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overtal overtallen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

overtal o [1]

  1. (sport) spelsituatie waarbij het ene team met meer spelers speelt dan het andere team
     Het numerieke overtal was voor Ajax niet het sein om écht gas te geven, waardoor de Klassieker wat voortkabbelde.[2]
     Bondscoach Arno Havenga vond dat zijn ploeg in de tweede wedstrijd iets beter partij bood. ,,We speelden met de nieuwe regels, onder meer kortere aanvalstijd in overtal en na corners.[3]
  2. een (te) groot aantal
     Het moge duidelijk zijn: een panel met ballenverstand. Hoe kijkt het aan tegen de airfryer- en ovenballen die in overtal zijn in de supermarkt?[4]
Synoniemen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Noud Bemelen “Ajax op halve snelheid voorbij Feyenoord in matig duel” (28-10-2018), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “Waterpolosters lijden wederom ruime oefennederlaag in VS” (21-12-2018), Tubantia
  4. Bronlink Weblink bron Matthijs Meeuwsen “Deze bitterballen komen als beste uit de test” (23-03-2019), Tubantia