overmeesteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·mees·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overmeesteren
overmeesterde
overmeesterd
zwak -d volledig

Werkwoord

overmeesteren [1]

  1. Iemand meester worden
    De overvaller liet zich eenvoudig overmeesteren door de politie
  2. Bevangen worden door een gevoel
    De nabestaanden werden overmeesterd door een gevoel van ontreddering.
  3. overgankelijk een gevecht van iemand winnen
    Zij overmeesterden snel de wachters en rukten op naar het hoofdkwartier.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal