overloper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overloper overlopers
verkleinwoord overlopertje overlopertjes

Zelfstandig naamwoord

overloper m [1] [2]

  1. (militair) iemand die overloopt (naar de vijand)
  2. buis voor het afvoeren van overlopend of overtollig water, een overloop
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal