overlever

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overlever overlevers
verkleinwoord overlevertje overlevertjes

Zelfstandig naamwoord

overlever m [1]

  1. iemand die geen moeite heeft om moeilijkheden te overleven
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
overleveren

overlever

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleveren
    • ... dat ik overlever. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.


Deens

Woordafbreking
  • o·ver·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • Deense werkwoordsvorm met het voorvoegsel over-
Naar frequentie 1771

Werkwoord

overlever

  1. tegenwoordige tijd van overleve

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere


Noors

Woordafbreking
  • o·ver·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • Noorse werkwoordsvorm met het voorvoegsel over-
Naar frequentie 1903

Werkwoord

overlever

  1. tegenwoordige tijd van overleve

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere


Nynorsk

Woordafbreking
  • o·ver·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • Nynorske werkwoordsvorm met het voorvoegsel over-

Werkwoord

overlever

  1. tegenwoordige tijd van overleve

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere