overlever

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overlever overlevers
verkleinwoord overlevertje overlevertjes

Zelfstandig naamwoord

overlever m [1]

  1. iemand die geen moeite heeft om moeilijkheden te overleven
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
overleveren

overlever

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleveren
    ... dat ik overlever.


Deens

Woordafbreking
  • o·ver·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • Deense werkwoordsvorm met het voorvoegsel over-
Naar frequentie 1771

Werkwoord

overlever

  1. tegenwoordige tijd van overleve

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere


Noors

Woordafbreking
  • o·ver·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • Noorse werkwoordsvorm met het voorvoegsel over-
Naar frequentie 1903

Werkwoord

overlever

  1. tegenwoordige tijd van overleve

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere


Nynorsk

Woordafbreking
  • o·ver·le·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • Nynorske werkwoordsvorm met het voorvoegsel over-

Werkwoord

overlever

  1. tegenwoordige tijd van overleve

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere