overlapt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·lapt
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van overlappen: de stam met de uitgang -t, zonder ge- vanwege voorvoegsel

Werkwoord

vervoeging van
overlappen

overlapt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    • Jij overlapt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    • Hij overlapt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van overlappen
    • Overlapt! 
  4. voltooid deelwoord van overlappen