overlap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·lap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overlap overlappen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

óverlap m

  1. de mate waarin twee lagen iets gezamenlijk bedekken
    • Er is altijd overlap tussen grootzeil en voorzeil. 
  2. overdrachtelijk het feit dat iets door meer dan een persoon bestreken wordt
    • Er is een halfuurtje overlap tussen de ochtendploeg en de avondploeg. 
  3. (wiskunde) ~ tussen twee functies f(x) en g(x): de integraal
    • Wanneer de overlap nul is zijn twee functies orthogonaal. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
overlappen

overláp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    • Ik overlap. 
  2. gebiedende wijs van overlappen
    • Overlap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    • Overlap je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.