Naar inhoud springen

overlap

Uit WikiWoordenboek

(klemtoonhomogram)

  • over·lap
enkelvoud meervoud
naamwoord overlap overlappen
verkleinwoord - -

deóverlapm

  1. mate waarin twee lagen, onderdelen e.d. iets gezamenlijk bedekken
    • Er is altijd overlap tussen grootzeil en voorzeil. 
  2. overdrachtelijk situatie dat iets door meer dan een persoon of organisatie bestreken wordt
    • Er is een halfuurtje overlap tussen de ochtendploeg en de avondploeg. 
     De kennis in Nederland over de aarde is "eigenlijk een soort puzzel", legt Hoogendoorn van het KNGMG uit. "Er is ook een studie aardwetenschappen aan de Universiteit Utrecht, en bijvoorbeeld een technische variant in Delft. Maar het is allemaal heel nauw op elkaar afgestemd, zonder overlap. Je haalt nu een belangrijke kaart uit het kaartenhuis."[2]
  3. (wiskunde) ~ tussen twee functies f(x) en g(x): de integraal f(x).g(x)dx
    • Wanneer de overlap nul is zijn twee functies orthogonaal. 
vervoeging van
overlappen

[B] overláp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    • Ik overlap. 
  2. gebiedende wijs van overlappen
    • Overlap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    • Overlap je? 
98 %van de Nederlanders;
92 %van de Vlamingen.[3]
  1. overlap op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Sven Schaap
    “Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

samenstelling van  over  en  lap 

enkelvoud meervoud
overlap overlaps

overlap

  1. de mate waarin twee lagen, onderdelen e.d. iets gezamenlijk bedekken
  2. gedeeltelijke bedekking, overdekking
vervoeging
onbepaalde wijs to  overlap 
he/she/it  overlaps 
verleden tijd  overlapped 
voltooid
deelwoord
 overlapped 
onvoltooid
deelwoord
 overlapping 
gebiedende wijs  overlap 
vervoeging
onbepaalde wijs to  overlap 
he/she/it  overlaps 
verleden tijd  overlaped 
voltooid
deelwoord
 overlaped 
onvoltooid
deelwoord
 overlaping 
gebiedende wijs  overlap 

overlap

  1. overgankelijk iets gedeeltelijk van twee zijden met een laag bedekken
  2. onovergankelijk gedeeltelijk van twee zijden bedekt zijn