overhouden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overhouden
hield over
overgehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

overhouden

  1. overgankelijk nog hebben nadat al het nodige is verdeeld of gebruikt
    • Hij hield nog één plank over nadat hij de kast in elkaar had gezet. 
     Door af te lossen en te sparen zouden we op den duur minder hoeven te werken en daardoor tijd overhouden.[1]
  2. overgankelijk behouden, vasthouden (als overblijfsel of gevolg van iets anders)
     Het enige wat hij nu wilde was razendsnel de berg afkomen omdat hij er een aardige tik aan had overgehouden.[1]
  3. overgankelijk, (onderwijs) scholieren na afloop van de gewone lestijd langer op school houden
  4. overgankelijk, (spel) biljartballen in een bepaalde positie t.o.v. elkaar houden om er een serie mee te maken
  5. onovergankelijk, onpersoonlijk naar tevredenheid zijn, naar wens zijn; echter vrijwel altijd gebruikt in combinatie met niet, waardoor de betekenis in de praktijk juist tegengesteld is aan de hiervoor gegeven definitie
    • Dat houdt niet over. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be