overhoring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·ho·ring
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van overhoren met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord overhoring overhoringen
verkleinwoord overhorinkje overhorinkjes

Zelfstandig naamwoord

overhoring v

  1. het nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
    • Bij de overhoring bleek hij de stof zeer goed te beheersen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be