overgroot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·groot
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen overgroot
verbogen overgrote
partitief overgroots

Bijvoeglijk naamwoord

overgroot

  1. zeer groot
    • Het overgrote deel van de stemmers wijst het voorstel af. 
    • Zijn vreugde was overgroot. 

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.