ouwel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ouwels vóór de consecratie.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ou·wel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘niet-geconsacreerde hostie’ voor het eerst aangetroffen in 1469 [1]
  • Afkomstig van het Latijnse oblata (offerbrood).
enkelvoud meervoud
naamwoord ouwel ouwels
verkleinwoord ouweltje ouweltjes

Zelfstandig naamwoord

ouwel m

  1. een dun wit ongedesemd baksel van rijstzetmeel zoals dat in de Eucharistie en als bodem voor bepaalde koekjes gebruikt wordt
    • Deze macronen kun je het beste op ouwel bakken, anders komen ze aan de bakplaat vast te zitten. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen