ouwe

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ou·we
enkelvoud meervoud
naamwoord ouwe ouwen
verkleinwoord ouwetje ouwetjes

Zelfstandig naamwoord

ouwe m

  1. ouder, vader, ouder persoon, iemand die er al lang is
    • Dat moet je maar aan de ouwe vragen! 
    • De ouwetjes hebben het prima naar hun zin gehad. 
  2. (muziek) gouwe ~: een populair nummer dat in het verleden lang een topper geweest is
    • We draaien nog even een gouwe ouwe. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
87 % van de Vlamingen.