ouwe

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ou·we
enkelvoud meervoud
naamwoord ouwe ouwen
verkleinwoord ouwetje ouwetjes

Zelfstandig naamwoord

ouwe m

  1. ouder, vader, ouder persoon, iemand die er al lang is
    Dat moet je maar aan de ouwe vragen!
    De ouwetjes hebben het prima naar hun zin gehad.
  2. (muziek) gouwe ~: een populair nummer dat in het verleden lang een topper geweest is
    We draaien nog even een gouwe ouwe.