oudje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oud·je
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord oudje oudjes

Zelfstandig naamwoord

oudje o dim. tant.

  1. persoon op leeftijd
    • De oudjes doen het nog best. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.