otofoon
Uiterlijk

- oto·foon
- gevormd met het achtervoegsel -foon uit Oudgrieks ὠτός (otós) "van het oor" (genitief van οὖς (oús) "oor") [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | otofoon | otofoons |
| verkleinwoord |
de otofoon m
- (historisch) bij het oor gehouden hoorntje waarmee slechthorenden geluid uit een bepaalde richting kunnen opvangen en versterken
- ▸ Met de moderne hoorapparaten, de speech-amplifiers (de oude naam was otofoon) is het mogelijk het doofstomme kind zijn eigen stem te doen voelen.[2]
- otophoon (officiële spelling tot 1955)
- Het woord 'otofoon' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑ otofoon op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron Nieuws van Overal : Voor het doofstomme kind in: Het Nieuws : algemeen dagblad, jrg. 8 nr. 2171 (21 september 1950), A.J. Morpurgo, Paramaribo, p. 2 kol. 2
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -foon in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Historisch in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal