osteopaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • os·teo·paat
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel osteo- en met het achtervoegsel -paat
enkelvoud meervoud
naamwoord osteopaat osteopaten
verkleinwoord osteopaatje osteopaatjes

Zelfstandig naamwoord

osteopaat

  1. (beroep) beoefenaar van de osteopathie

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be