ossenkop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de kop van een os
Uitspraak
Woordafbreking
  • os·sen·kop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ossenkop ossenkoppen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ossenkop m [1]

  1. het hoofd van een os met twee hoorns
    • Bij de juwelen zit een uitzonderlijk fijne sluiting voor een mantel en een gesp met een camee uit rood glas, die een leeuw voorstelt die een ossenkop vertrappelt. [2] 
    • Woedend hangt hij in een boom te spartelen, de mond gesnoerd en vastgebonden: Assurancetourix, de onfortuinlijke bard die nooit mee mag feesten omdat hij zo vreselijk zingt. De figuur is van bordkarton, de boom ziet er levensecht uit. Hij staat midden op het marktplein van het Gallische dorp. Aan de ene kant het huis van stamhoofd Abraracourcix, met een enorme ossenkop boven de deuropening. Aan de andere kant de smidse en de viswinkel van Hoefnix en Kostunrix, de twee eeuwig kibbelende rivalen. [3] 
    • Ja! Ons Latijnse alfabet gaat via-via terug op Egyptische hïerogliefen. De A was een ossenkop. De punt als bek, pootjes als oren. Os was nuttig als A-klank; ‘alef’ is Semitisch voor ‘os’. [4] 
  2. (scheldwoord) scheldnaam voor mensen uit Hasselt
    • Hasselaren zijn likkebaarden, ossenkoppen, vinstermikken en vooral dikke nekken. Deze spotnamen wisten de buurgemeensten vroeger voor de Hasselaar te verzinnen. "Vandaag leven die bijnamen niet meer in Hasselt en weinig inwoners kennen nog de betekenis ervan", zegt Michel Ilsen van de erfgoedraad. [5] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen