ornitholoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·ni·tho·loog
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Grieks met het achtervoegsel -loog [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ornitholoog ornithologen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ornitholoog m [2]

  1. iemand die veel verstand heeft van vogels; vogeldeskundige
    • Voor alle zekerheid vraagt ornitholoog Anje om 'niet met flitslicht' te fotograferen. Als de kraanvogels tegen zonsondergang naar hun slaapplaats in het veengebied vliegen kunnen ze door de 'blitz' gedesoriënteerd raken. De vijftig lezers van De Twentsche Courant Tubantia begrijpen wat hun Duitse gids bedoeld. Daar zijn het natuurliefhebbers voor. [3] 
    • In het Amazonegebied in Brazilië zijn vijftien nieuwe vogelsoorten ontdekt. Het gaat om de grootste ornithologische ontdekking in Brazilië in meer dan 140 jaar, aldus ornitholoog Luis Fabio Silveira van de universiteit van Sao Paulo. [4] 
    • De vogelarts groeide zelf op in die cultuur. Zijn jeugd bracht hij door in India en Nepal waar hij als kleuter al kromsnavels en zangvogels hield. Later leerde hij veel van de bekende Amerikaanse ornitholoog Bob Flemming, met wie hij veelvuldig de natuur in trok. [5] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen