organiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·ga·niek
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen organiek organieker organiekst
verbogen organieke organiekere organiekste
partitief organieks organiekers -

Bijvoeglijk naamwoord

organiek [2]

  1. organisch, natuurlijk
     De kerkfusie tot één organiek lichaam is vandaag een prestigekwestie en niet langer een geloofszaak. Ds. B. H. Weegink, 7 juni 2001[3]
  2. wet die een door de grondwet aangeduide instelling nader uitwerkt en regelt
     Dat de NBB zelf maar een beperkte invloed heeft op de samenstelling van het directiecomité, komt door het merkwaardige statuut van de organisatie. De Nationale Bank is een bedrijf sui generis, dat aangestuurd wordt via een organieke wet.[4]
Vertalingen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. organiek op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron Ds. B. H. Weegink“Opinies uit het jaar 2001” (7 juni 2001), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink Weblink bron Ruben Mooijman“De Nationale Bank: 1900 personeelsleden en 29 directiefuncties” (03/11/2018), De Standaard
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be