ordonner
Uiterlijk
- van 12de-eeuws Oudfrans ordener, wat het leende van Latijn ordinare "in orde brengen; ordenen". Het woord kreeg al vroeg de huidige vorm ordonner (geattesteerd sinds ca. 1200) onder invloed van het werkwoord donner "geven" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ordonner |
ordonnais |
ordonné |
| eerste groep | volledig | |
ordonner
- overgankelijk ordenen
- overgankelijk bevelen, bevel geven tot, opdragen
- (religie), overgankelijk ordineren, wijden
- ↑ ordonner (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.