opzicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opzicht opzichten
verkleinwoord opzichtje opzichtjes

Zelfstandig naamwoord

opzicht o

  1. de manier waarop je er naar kijkt
    • Vanuit welk opzicht heb je dit rapport beoordeeld? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.