opzicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opzicht opzichten
verkleinwoord opzichtje opzichtjes

Zelfstandig naamwoord

opzicht o

  1. de manier waarop je er naar kijkt
    • Vanuit welk opzicht heb je dit rapport beoordeeld? 
     Hebt u het portret gezien boven de haard? U herkent zonder twijfel de markante en nobele trekken van Niccoló Paganini. Ik zal de eerste zijn om uw gelijk te beamen wanneer u zegt dat het in schilderkundig opzicht geen meesterwerk betreft. Het is gemaakt door een brave, mindere meester, die er zelfs in zijn tijd niet om bekendstond dat hij zijn tijd vooruit was.[1]
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 15